De d’s en de t’s!

Het blijft moeilijk, omgaan met d’s en t’s. Vaak krijg ik de kriebels van mensen (ook hoogopgeleiden, en – o nee! – zelfs basisschooldocenten!) die de ene na de andere fout maken. Hoe kan het toch dat het zo moeilijk blijkt om de Nederlandse taal in de basis te beheersen? Typfouten daargelaten (soms wil je te snel en te slordig) komt de dt-fout echt te vaak voor. Tijd om daar verandering in te brengen. Je leert het vandaag gewoon goed!

... en de smurfen helpen je een handje.

… en de smurfen helpen je een handje.

Is het d of dt? Als je zo iemand bent die er voor de zekerheid maar gewoon een t achter zet, lees dan zeker verder. Met d of dt zal voor jou geen vraag meer zijn, maar een weet. Laten we beginnen met wanneer je een t toevoegt aan het eind van een werkwoord.

 

De toevoeging van de t

In de tegenwoordige tijd

Ik loop.
Jij loopt.
Hij loopt.
Loop jij?

Dit is het rijtje dat in mijn hoofd is blijven hangen na de basisschool. Met werkwoorden als worden gebruik ik hem altijd als ik twijfel over de toevoeging van een t. Waarom? Omdat het zo makkelijk is. Toch is het leuker om een woord te hebben dat altijd klopt. Daarom heb ik wat vrienden meegenomen.

smurfen

Smurfen hebben de prettige eigenschap dat elk (werk)woord dat zij gebruiken vervangen kan worden door smurfen.

Ik smurf.
Jij smurft.
Hij smurft.
Smurf jij?

En zo gaan we aan de slag.

Twijfelzin 1 Ik snap niet zo goed wat zij daarmee (bedoelen).

smurfje Ik snap niet zo goed wat zij daarmee smurft.
Ik snap niet zo goed wat zij daarmee bedoelt.

Twijfelzin 2 (Worden) jij daar ook zo moedeloos van?

smurfje Smurf jij daar ook zo moedeloos van?
Word jij daar ook zo moedeloos van?

Twijfelzin 3 (Worden) het niet eens tijd om het anders aan te pakken?

smurfje Smurft het niet eens tijd om het anders aan te pakken?
Wordt het niet eens tijd om het anders aan te pakken?

Hoe (bedoelen) je, makkelijk? Hoe smurf je, makkelijk? Ja hoe bedoel je, makkelijk?

 

Het kofschip: de stam

Om wel of geen t te kunnen toevoegen in werkwoorden als gelopen, gereden, vervoegd etcetera, moet je eerst weten wat de stam van een werkwoord is. Misschien heb je geleerd dat dit de ik-vorm is. Helaas klopt dit maar in 90% van de gevallen. De zuiverste manier om achter de stam van een werkwoord te komen, is wiskunde.

Worden – en = word
Lopen – en = lop
Surfen – en = surf
Verhuizen – en = verhuiz

Zie ook deze site.

 

Het kofschip: vervoegen

Met de stam kun je gaan vervoegen in de verleden tijd. De voltooide tijd, bijvoorbeeld, met woorden als gedaan, bereikt, en voltooid. Je kunt het kofschip hiervoor gebruiken. Wat je moet weten over het kofschip, is dat de klinkers in dat woord er ter ondersteuning zijn en niet ‘tellen’. Eigenlijk is het dus niet het kofschip, maar het kfschp, en het kofschip brengt ‘t’ met zich mee (zo leerde ik het tenminste).

Stel je voor, je wilt iets zeggen als ‘zo was het niet bedoeld’. Je weet dat het met een d is, want zo schrijf ik het, en je mag toch aannemen dat ik in deze uitleg geen dt-fouten maak. Maar waarom is het met een d?

  1. Pak de stam van het werkwoord (bedoelen – en = bedoel).
  2. Check: zit de laatste letter van de stam in het kfschp?
  3. In het kfschp? Dan een t. Niet? Dan een d. Dus ‘bedoelde‘ (verleden tijd) en ‘heeft bedoeld‘ (voltooid deelwoord).

Zie hier de truc voor lastige werkwoorden als racen.

 

Op beeld

Leer je het liever met een video? Onderstaand filmpje duurt zo’n twee minuten en legt het ook uit.

5 reacties op “De d’s en de t’s!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *